Posted: 22 Feb. 2024 2 min. read

Nieuwe regelgeving inzake buitencontractuele aansprakelijkheid heeft een impact op bestuurders en werknemers

Legal Newsflash

Read this article in English | French

Op 1 februari 2024 keurde de Kamer van Volksvertegenwoordigers het wetsvoorstel goed dat Boek 6 "Buitencontractuele aansprakelijkheid" van het Burgerlijk Wetboek bevat.

Dit Boek zal de regels inzake buitencontractuele aansprakelijkheid fundamenteel hervormen, aangezien het de samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid, alsook de quasi-aansprakelijkheid van de uitvoeringsagent invoert. Dit laatste aspect is het meest controversieel, omdat de afschaffing van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent directe gevolgen heeft voor bestuurders en werknemers.

Naar verwachting zal het nieuwe Boek 6 op 1 januari 2025 in werking treden en onmiddellijk van toepassing zijn op feiten die aanleiding geven tot aansprakelijkheid en zich na deze datum hebben voorgedaan. Contracterende partijen krijgen dus geen tijd tot hun volgende normale heronderhandelingen om te anticiperen op of na te denken over de afschaffing van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent. Bij het sluiten van nieuwe contracten wordt aanbevolen om niet alleen bijzondere aandacht te besteden aan contractuele aansprakelijkheid, maar ook aan buitencontractuele aansprakelijkheid.

Deze nieuwsbrief focust op de afschaffing van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent en de onmiddellijke gevolgen daarvan voor bestuurders en werknemers.

Afschaffing van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent

Contracterende partijen doen voortdurend een beroep op uitvoeringsagenten (zoals bestuurders, werknemers of onafhankelijke dienstverleners) bij de uitvoering van hun contracten. Momenteel zijn deze uitvoeringsagenten quasi-immuun tegen vorderingen van de medecontractant van hun opdrachtgever, aangezien die medecontractant de uitvoeringsagent niet aansprakelijk kan stellen voor de gebrekkige uitvoering van de overeenkomst, noch op contractuele basis (aangezien er geen overeenkomst bestaat tussen de uitvoeringsagent en de medecontractant), noch op buitencontractuele basis. Dit laatste behalve in het geval van een strafbaar feit of van een buitencontractuele fout (een schending van de zorgvuldigheidsnorm) van de uitvoeringsagent die leidt tot andere schade dan schade die louter het gevolg is van de gebrekkige uitvoering van de overeenkomst.

Toch blijven er belangrijke verschillen tussen beide systemen bestaan. Zo laat het contractuele aansprakelijkheidsrecht alleen compensatie toe van schade die de partijen redelijkerwijs konden voorzien, terwijl het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht compensatie toelaat van alle (voorzienbare en niet-voorzienbare, directe en indirecte) schade.

Naast het onderscheid tussen de contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid is de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent al decennialang een hoeksteen van het Belgische rechtssysteem. Bijzondere aandacht werd besteed aan het scenario waarin een uitvoeringsagent, die een contractpartij (de hoofdschuldenaar) bijstaat of vervangt bij de uitvoering van contractuele verplichtingen (de hoofdovereenkomst), schade veroorzaakt aan de medecontractant van zijn opdrachtgever (de hoofdschuldeiser). Die laatste heeft geen contract met de uitvoeringsagent; hij is een derde partij met betrekking tot de overeenkomst tussen de hoofdschuldenaar en de uitvoeringsagent.

Vandaag bevat het oud Burgerlijk Wetboek geen algemene regel met betrekking tot de buitencontractuele aansprakelijkheid van uitvoeringsagenten ten opzichte van derden. De algemene beginselen, verder genuanceerd door het "stuwadoorsarrest" van 7 december 1973, zijn dus van toepassing, wat betekent dat onder het oud Burgerlijk Wetboek de hoofdschuldeiser uitvoeringsagenten van de hoofdschuldenaar alleen buitencontractueel aansprakelijk kan stellen onder dezelfde voorwaarden als waaronder hij de hoofdschuldenaar buitencontractueel aansprakelijk kan stellen (d.w.z. voor andere schade dan schade als gevolg van de niet-nakoming van de hoofdovereenkomst). De uitvoeringsagent kan niet contractueel worden aangesproken door de hoofdschuldeiser, maar alleen door zijn eigen medecontractant, d.w.z. de hoofdschuldenaar. In de rechtsleer wordt dit de "quasi-immuniteit" van de uitvoeringsagent genoemd.

De wetgever benadrukt nu dat de buitencontractuele immuniteit van de uitvoeringsagent onder het oude civiele recht in tal van omstandigheden onredelijk nadelig is voor de hoofdschuldeiser. Vanaf de inwerkingtreding van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek zal de medecontractant een vordering in buitencontractuele aansprakelijkheid kunnen instellen tegen de uitvoeringsagent voor schade als gevolg van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenissen van de uitvoeringsagent.

Het wetsvoorstel staat de uitvoeringsagent toe een beroep te doen op de exoneraties (i) in de overeenkomst tussen de hoofdschuldeiser en de hoofdschuldenaar (aangezien de uitvoeringsagent niet voor meer dan de hoofdschuldenaar zelf aansprakelijk kan worden gesteld door de hoofdschuldeiser) en (ii) opgenomen in de overeenkomst met zijn medecontractant (zijnde de hoofdschuldenaar) (de Contractuele Exoneraties).

Het wetsvoorstel staat de uitvoeringsagent echter niet toe om dergelijke verweermiddelen in te roepen (i) in geval van schade als gevolg van aantasting van de fysieke of psychische integriteit of (ii) in geval een fout begaan met het opzet schade te veroorzaken.

Gevolgen voor uitvoeringsagenten - contractuele beschermingsmechanismen tegen derden

Het is belangrijk dat uitvoeringsagenten weten dat hun aansprakelijkheid met betrekking tot de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van een overeenkomst niet alleen geldt ten aanzien van de hoofdschuldenaar (zijnde de directe contractpartij), maar dat deze aansprakelijkheid zich kan uitstrekken tot opdrachtgevers hoger in de contractuele keten. De uitvoeringsagent zal in dat geval echter (in principe) een beroep kunnen doen op de Contractuele Exoneraties.

Bijgevolg moeten ondernemingen (i) nagaan of hun medecontractant hen als uitvoeringsagent betrekt bij de uitvoering van verplichtingen voor een andere opdrachtgever en dus een volledig zicht hebben op de contractuele keten, en (ii) beschermingsmechanismen opnemen in hun contracten/algemene voorwaarden.

Een onderneming, die als uitvoeringsagent kan optreden, zou een combinatie van de volgende contractuele beschermingsmechanismen kunnen beogen, waaronder:

  1. een bevestiging van haar contractpartij dat zij de "eindafnemer" is en er in principe geen rekening moet worden gehouden met een verdere contractuele keten;
  2. een verplichting voor de hoofdschuldenaar om in zijn contract met de hoofdschuldeiser op te nemen dat de hoofdschuldeiser uitdrukkelijk afziet van de toepassing van artikel 6.3 van het Burgerlijk Wetboek, en om dezelfde verplichting op te leggen aan elke volgende hoofdschuldeiser in de hogere contractuele keten. Op deze manier zijn de bovenstaande regels niet van toepassing en wordt het risico van buitencontractuele aansprakelijkheid ten aanzien van een uitvoeringsagent getemperd. Dit kan worden gecombineerd met een verplichting tot vrijwaring indien de hoofdschuldenaar deze verplichting niet is nagekomen; en meer in het algemeen
  3. aansprakelijkheidsbegrenzingen en -beperkingen en algemene aansprakelijkheidsuitsluitingen - voor zover wettelijk mogelijk – in haar contracten opnemen, aangezien de onderneming zich (in principe) zal kunnen beroepen op de exoneraties die zijn opgenomen in haar contracten met de hoofdschuldenaar.

Bij het opnemen van aansprakelijkheidsbeperkingen moet altijd rekening worden gehouden met de toepasselijke B2B- en B2C-wetgeving.

Gevolgen voor werknemers en bestuurders

Gevolgen voor werknemers

Momenteel worden werknemers beschermd tegen vorderingen van derden door (i) de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent en (ii) de specifieke regeling van artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978. Dit laatste houdt in dat werknemers die de werkgever of derden schade berokkenen bij de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst, enkel aansprakelijk zijn voor bedrog, zware fout of herhaalde lichte fout.

Onder het nieuwe wetsvoorstel kunnen werknemers hun aansprakelijkheid in geval van een rechtstreekse vordering niet langer afwenden door een beroep te doen op de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent. Aangezien artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 van kracht blijft, blijft het resultaat echter hetzelfde: werknemers zijn alleen aansprakelijk tegenover derden voor bedrog, zware fout of herhaalde lichte fout. In de huidige regeling kan een werknemer op deze gronden aansprakelijk zijn tegenover de werkgever die eventuele schade (voor eigen schade of schade van een derde) wil verhalen. Onder het nieuwe wetsvoorstel kan de werknemer geviseerd worden door een vordering ingesteld door zowel de werkgever als de derde partij, maar alleen voor situaties die ook vandaag kunnen leiden tot aansprakelijkheid van de werknemer.

Echter het feit dat derden de werknemer rechtstreeks aansprakelijk kunnen stellen, kan zeker gevolgen hebben voor werknemers, aangezien zij het primaire doelwit kunnen worden van ontevreden derden in specifieke situaties of als de derde van mening is dat het in zijn belang is om de vordering tegen zoveel mogelijk partijen in te stellen. Ondernemingen zullen moeten beoordelen of ze automatische bijstand/exoneratie willen verlenen in geval van rechtstreekse vorderingen. Hiertoe kunnen adequate bepalingen worden opgenomen in de individuele arbeidsovereenkomst of in een breder HR-beleid.

Bovendien kunnen werkgevers de mogelijkheid van rechtstreekse vorderingen tegen hun werknemers op basis van wettelijke aansprakelijkheid uitsluiten in contracten met derden.

Gevolgen voor bestuurders

Vandaag worden bestuurders beschermd tegen vorderingen van derden door de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent. Zoals hierboven besproken en zoals uiteengezet met betrekking tot werknemers, kunnen bestuurders onder de nieuwe wet hun aansprakelijkheid, in geval van een rechtstreekse vordering, niet langer afwenden door beroep te doen op de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent (aangezien dit mechanisme zal worden afgeschaft vanaf de inwerkingtreding van Boek 6 Burgerlijk Wetboek). Voor bestuurders impliceert de inwerkingtreding van Boek 6 Burgerlijk Wetboek dat zij bovenop de gronden voor bestuurdersaansprakelijkheid potentieel aansprakelijk kunnen worden gesteld door derden (zoals medecontractanten van hun opdrachtgever) indien aan de voorwaarden voor een dergelijke aansprakelijkheid is voldaan.

Op basis van een strikte lezing van artikel 2:56 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV), zou men echter kunnen argumenteren dat een buitencontractuele vordering van een derde tegen een bestuurder ook als een grond van bestuurdersaansprakelijkheid kwalificeert, wat betekent dat de bestuurder bijgevolg enkel aansprakelijk kan worden gesteld voor beslissingen of handelingen die manifest buiten het kader vallen waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders in dezelfde omstandigheden redelijkerwijs zouden handelen.

Een dergelijke beperking van potentiële aansprakelijkheidsvorderingen limiteert uiteraard ook het risico op succesvolle vorderingen in het kader van buitencontractuele aansprakelijkheid ten aanzien van bestuurders, in tegenstelling tot vorderingen in het kader van buitencontractuele aansprakelijkheid ten aanzien van zelfstandige uitvoeringsagenten zonder bestuurdersmandaat voor wie geen soortgelijke aansprakelijkheidsbeperking bestaat.

Indien een buitencontractuele vordering tegen een bestuurder een kwestie van bestuurdersaansprakelijkheid kan zijn, speelt de beperking op de maximale aansprakelijkheid van een bestuurder overeenkomstig artikel 2:57 WVV, evenals de beperkingen op exoneratie en vrijwaring tussen een onderneming en een bestuurder zoals uiteengezet in artikel 2:58 WVV. 

Verder verwijzen wij naar de contractuele beschermingsmechanismen tegen derden zoals hierboven uiteengezet en vestigen uw aandacht op het feit dat bestuurdersverzekeringen mogelijks heronderhandeld moeten worden.

Te nemen maatregelen

In het algemeen zal het bijzonder belangrijk zijn voor ondernemingen om hun contracten en algemene voorwaarden in detail te herzien, om te anticiperen op de afschaffing van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent en om voldoende bescherming in dit opzicht op te nemen.

Mocht uw onderneming begeleiding of hulp nodig hebben bij het herzien en/of integreren van wijzigingen in uw huidige algemene voorwaarden of in andere contractuele documenten, op grond van deze nieuwe wet, aarzel dan niet om contact met ons op te nemen.

Key contacts

Véronique Van Eessel

Véronique Van Eessel

Managing Associate

Véronique is a managing associate at Deloitte Legal and is a member of the Deloitte Legal Corporate and M&A department. She mainly focuses on advising clients with regard to national and international corporate transactions, such as mid-market acquisitions and divestitures (M&A), diverse corporate restructurings (such as (cross border) mergers and (partial-) demergers), the setting up of joint ventures, providing advice on corporate governance and general corporate law issues.

Jasmijn Verraes

Jasmijn Verraes

Senior Managing Associate

Jasmijn is a member of the Commercial team of lawyers at Deloitte Legal. She specialises in general commercial law, commercial litigation and has developed a special focus on contract law. Jasmijn has more than 10 years of experience in advising both national and international clients in all areas of Belgian commercial and contract law. Her experience covers a wide range of industries. Jasmijn assists clients in the conclusion of a wide variety of commercial agreements (commercial intermediaries, manufacturing, sales, contracting, etc.), ranging from the drafting or review of contracts to assistance in contract negotiations. Next to this, Jasmijn represents clients before the Belgian courts or international arbitration centres in the framework of disputes relating to commercial law.

Stijn Demeestere

Stijn Demeestere

Partner

Stijn Demeestere joined Deloitte’s Global Employee Services in 2013 before becoming head of Deloitte Legal - Lawyers’ Employment, Pensions and Benefits team in 2015. In 2020 he took on the additional role of Talent Partner. As he always wanted to advise and defend the rights of people, becoming a lawyer was a natural choice. Stijn has garnered ample expertise in all legal HR matters and particularly specialises in dismissal law (both individual and collective), maximising flexibility in salary and working conditions, the specific HR needs of top executives (social status, contract drafting) and various types of business reorganisations (M&A, cross-border mergers, outsourcing). Stijn particularly enjoys strategic communications and negotiations at individual and collective levels (social unrest, strikes), finding the spot where flexibility can be introduced against the rigid background of employment law, and is in his element when he can defend or plead in court. The contentious matters he handles are, amongst others, disputes over protected employees, white-collar crime, harassment, and the dismissal of high-level employees following allegations of misconduct. He advises HR directors of large and medium-sized companies, always looking for the right balance and where possible a cost-effective amicable settlement for the client in case of a dispute, and otherwise looking into tailoring individual schemes to the benefit of the company and working out how they can be applied to remuneration, different types of employment. Stijn combines a dry sense of humour with sharp analytical skills. He is regularly interviewed by De Tijd, had a weekly column in Jobat and is frequently invited as speaker at HR Fora. In addition, Stijn has written many books on topics such as protected employees and anti-discrimination as well as articles on, amongst others, the new dismissal legislation, outplacement and the bridge pension. Stijn is recognized by Chambers and Legal 500.