De Programmawet die vanaf 1 juni 2026 de automatische aanpassing van lonen aan de index tijdelijk wijzigt, is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Deze nieuwsbrief licht de maatregel van loonmatiging toe, de gevolgen ervan alsook enkele aandachtspunten voor HR.
De Kamer heeft de Programmawet definitief goedgekeurd, met daarin de veelbesproken 'centen-index'. De sociale partners binnen de Groep van Tien stelden unaniem een technisch eenvoudiger alternatief voor — het uitvlakken van de energieprijzen — maar de federale regering wees dit voorstel definitief af. Voor de regering-De Wever is de centen-index een budgettaire noodzaak: de maatregel genereert direct extra inkomsten voor de schatkist en helpt zo het acute federale begrotingstekort te dichten.
De automatische indexering wordt niet afgeschaft, maar tijdens deze legislatuur tweemaal gedeeltelijk begrensd:
De maatregel geldt in de private sector uitsluitend voor werknemers waarvan het referteloon op het moment van de normale indexaanpassing meer dan 4.000 EUR bruto bedraagt.
Het referteloon is het geïndexeerde vaste baremieke of contractuele maandelijkse basisloon, uitgedrukt op voltijdse basis. Premies, overloontoeslag, eindejaarspremie en vakantiegeld tellen niet mee. Voor arbeiders wordt het uurloon omgezet naar een maandloon; voor deeltijders wordt het loon herleid naar een voltijds equivalent op basis van hun tewerkstellingsbreuk.
|
Referteloon |
Gevolg |
|
Tot 4.000 EUR bruto |
Volledige indexaanpassing, zowel op sector- als op ondernemingsniveau |
|
Meer dan 4.000 EUR bruto |
Vaste verhoging van 80 EUR/maand (= 2% op 4.000 EUR), aangevuld met indexering op het volledige loon voor zover de reële index 2% overschrijdt |
Het grensbedrag van 4.000 EUR wordt geïndexeerd bij de aanvang van de tweede matigingsperiode.
Een werknemer met een referteloon van 5.000,00 EUR bruto ontvangt een indexaanpassing van 2,50%:
Zodra de cumulatieve indexaanpassing tijdens een matigingsperiode 2% bereikt en de loonmatiging werd toegepast, is het matigingseffect bereikt en eindigt de matigingsperiode. Alle verdere indexaanpassingen kunnen dan onverminderd worden doorgevoerd, tot eventueel de start van de tweede matigingsperiode.
Werknemers die na de aanvangsdatum van een matigingsperiode in dienst treden, worden geacht alle indexaanpassingen te hebben ondergaan vanaf die aanvangsdatum. Dit heeft twee praktische gevolgen:
Een bijzonder aandachtspunt: werkgevers kunnen verplicht worden om voor deze werknemers een voorlopige loonmatigingsbijdrage te betalen, ook als de loonmatiging op die werknemers de facto niet werd toegepast en de werkgever bijgevolg geen enkele besparing realiseerde.
De Programmawet bepaalt dat alle overeenkomsten die in strijd zijn met de loonmatiging als niet-bestaand worden beschouwd. Of dit in de praktijk veel impact zal hebben - denk aan de beperkte gevolgen bij niet-naleving van de loonnorm - blijft een open vraag.
De regering wenst dat een deel van de besparing die werkgevers realiseren via de loonmatiging, naar haar toekomt. Werkgevers zijn daarom verplicht om de helft van de gerealiseerde besparing (inclusief sociale bijdragen) door te storten aan de RSZ via een nieuwe RSZ-bijdragecode.
In het bovenstaande voorbeeld bedraagt de besparing voor de werkgever 20 EUR (= 125 EUR - 105 EUR). De loonmatigingsbijdrage bedraagt dan 10 EUR, te vermeerderen met de normale sociale bijdragen.
Vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het matigingseffect tijdens de tweede matigingsperiode werd bereikt, is een definitieve geconsolideerde loonmatigingsbijdrage verschuldigd voor alle lonen waarop een indexeringsmechanisme van toepassing is. De RSZ int deze bijdrage op trimestriële basis.
De invoering van de centen-index brengt bijkomende loonadministratie met zich mee. HR-teams zullen aangepaste loonberekeningen moeten (laten) uitvoeren en, waar van toepassing, de loonmatigingsbijdrage correct moeten berekenen.
Ondernemingen met een cafetariaplan waarbij een keuzebudget wordt gecreëerd via een loonsverlaging, dienen de principes van loonmatiging en loonmatigingsbijdrage te integreren in hun policy. In de praktijk wordt het referteloon vóór loonsverlaging vaak gekoppeld aan het sectorale indexatiemechanisme, en wordt de daaruit voortvloeiende loonsverhoging toegevoegd aan het verlaagde maandloon. Dit vormt strikt genomen een schending van de Programmawet (en de loonnorm) en kan bovendien leiden tot een meerkost door de verschuldigdheid van de loonmatigingsbijdrage — met name wanneer ook het verlaagde maandloon meer dan 4.000 EUR bedraagt. Er zijn uiteenlopende benaderingswijzen mogelijk, die grondig moeten worden bekeken.