Met de invoering van het “Ontslagdecreet” werden de klassieke arbeidsrechtelijke beëindigingsmogelijkheden uit de Arbeidsovereenkomstenwet sinds 1 oktober 2023 ook van toepassing verklaard op statutaire personeelsleden van Vlaamse provinciale en lokale besturen.
Het ongenoegen over deze zogeheten aanval op de vastheid van betrekking, resulteerde echter al snel in diverse vernietigingsprocedures bij het Grondwettelijk Hof.
Bij arrest van 5 juni 2025 heeft het Hof thans ook effectief beslist tot een integrale vernietiging van het Ontslagdecreet, maar met behoud van de gevolgen tot de datum van het arrest.
Is de kous hiermee af? Niet noodzakelijk.
Hoewel het Hof finaal besluit tot vernietiging, is het belangrijk om aan te stippen dat zij in haar motivering diverse vernietigingsgronden weerlegt.
Vlaamse Regering kan zich enten op algemeen ontslagrecht
Het Hof bevestigt vooreerst dat de dynamische verwijzing naar de Arbeidsovereenkomstenwet, waarbij de Vlaamse Regering niet zelf een inhoudelijke regeling heeft uitgewerkt, maar louter specifieke bepalingen uit de Arbeidsovereenkomstenwet “van overeenkomstige toepassing verklaart”, geen schending uitmaakt van de federale en gewestelijke bevoegdheidsverdeling. De Vlaamse Regering kan zich dus rechtmatig beperken tot een dergelijke verwijzing, waarbij ook toekomstige wijzigingen aan die regels door de federale regering, in principe automatisch gevolgd worden.
Arbeidsgerechten kunnen bevoegd verklaard worden
Het Hof bevestigt voorts dat de Vlaamse Regering rechtmatig de arbeidsgerechten kan aanduiden als de bevoegde instanties om te oordelen over geschillen omtrent de arbeidsrechtelijke beëindiging van de statutaire aanstelling. Deze bevoegdheid kan omwille van uniformiteit en proceseconomie ontnomen worden aan de Raad van State.
Uitbreiding ontslagmotieven is redelijk verantwoord
In het Ontslagdecreet konden statutaire personeelsleden ontslagen worden omwille van redenen die verband houden met het gedrag of de geschiktheid van het personeelslid of deze die berusten op de noodwendigheid voor de werking van het bestuur.
Het Hof overweegt dat de eerste twee situaties ook gedekt zijn onder de regels die van toepassing waren (en sinds de vernietiging terug zijn). Zo kan een tuchtrechtelijk ontslag opgelegd worden omwille van het gedrag en een ontslag wegens beroepsongeschiktheid na evaluaties. De enige echte toevoeging volgens het Hof betreft dus een beëindiging omwille van de noodwendigheden voor de werking van het bestuur. Er is geen enkele regel, aldus het Hof, die zich zou verzetten tegen een dergelijke uitbreiding, waarbij bij het afschaffen van een functie zou besloten worden tot ontslag als laatste redmiddel indien een herplaatsing niet tot de mogelijkheden behoort.
Het feit echter dat een statutair personeelslid in geval van een onrechtmatig ontslag, niet langer beschikte over de mogelijkheid om de re-integratie te vragen, vormt het grote struikelblok voor het Grondwettelijk Hof.
De afwezigheid van deze re-integratiemogelijkheid wordt als een aanzienlijke aantasting van het beschermingsniveau inzake recht op arbeid en billijke arbeidsvoorwaarden beschouwd, die niet redelijk verantwoord wordt.
Gevolgen worden gehandhaafd tot 5 juni 2025
Omdat de bepalingen van het Ontslagdecreet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, werd het decreet in zijn geheel vernietigd. De gevolgen van de ontslagbeslissingen tot de datum van het arrest blijven echter wel gehandhaafd overeenkomstig het kader van het Ontslagdecreet.
Concreet, impliceert dit dat:
Waar sommige stemmen aangeven dat het Ontslagdecreet hiermee finaal begraven is, biedt het arrest van het Grondwettelijk Hof ons inziens een voldoende bodem om een aangepaste regeling uit te werken die de test weldegelijk kan doorstaan. Het zou ook verbazen als dergelijke poging niet wordt ondernomen. De nood aan flexibilisering en modernisering is immers nog altijd actueel.