La Cour constitutionnelle précise : la plus-value des actions propres acquise grâce à l'activité professionnelle d'un époux est propre, mais une récompense est due à la communauté (cliquez pour lire en français)
Op 5 maart 2026 bevestigde het Grondwettelijk Hof dat een vennootschap geen instrument is waarmee beroepsinkomsten aan het gemeenschappelijk vermogen kunnen worden onttrokken. Als een echtgenoot binnen het wettelijk stelsel zijn beroepsactiviteiten organiseert in een vennootschap waarvan de aandelen eigen zijn, blijft de vermogenswaarde van de aandelen, met inbegrip van de meerwaarde ervan, eigen, maar is aan de gemeenschap een vergoeding verschuldigd voor de inkomsten die de gemeenschap redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet in een vennootschap werd uitgeoefend. Deze vergoeding omvat ook de meerwaarde van de aandelen die dankzij de beroepsactiviteit van een echtgenoot verkregen werd.
Het arrest betreft een echtpaar dat gehuwd was onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van aanwinsten. Kort na het huwelijk richtte de man een besloten vennootschap (hierna ‘bv’) op met wederbelegging van eigen gelden, waarin hij zijn beroepsactiviteit uitoefende. Beide echtgenoten werkten voltijds in de vennootschap en ontvingen daarvoor een gelijkaardige vergoeding. Tijdens het huwelijk verwierven de bv en de echtgenoten een tweede vennootschap; de aandelen daarvan werden later met een meerwaarde verkocht.
Bij de vereffening-verdeling na echtscheiding ontstond discussie over het statuut van de meerwaarde op de aandelen van de beroepsvennootschap: behoort die meerwaarde tot het eigen vermogen van de echtgenoot, of tot het gemeenschappelijk vermogen?
Het Grondwettelijk Hof bevestigt dat wanneer een echtgenoot een (management)vennootschap opricht of financiert met (wederbelegging van) eigen middelen en daarin zijn beroepsactiviteiten organiseert, de aandelen tot zijn eigen vermogen behoren, met inbegrip van de meerwaarde ervan. De arbeid, medewerking of kwalificaties van de andere echtgenoot wijzigen deze kwalificatie niet.
Tegelijk benadrukt het Hof dat de keuze om een beroepsactiviteit al dan niet via een vennootschap uit te oefenen huwelijksvermogensrechtelijk neutraal moet zijn en het gemeenschappelijk vermogen dus niet mag benadelen. Daarom moet de echtgenoot die werkt via een vennootschap waarvan de aandelen eigen zijn, de gemeenschap vergoeden voor de beroepsinkomsten die zij redelijkerwijze zou hebben ontvangen indien de beroepsactiviteit niet via een vennootschap was georganiseerd. Deze vergoeding omvat ook de meerwaarde van de aandelen.
Om te beoordelen of deze regeling het gelijkheidsbeginsel schendt, vertrekt het Hof van het onderscheid tussen:
Dit onderscheid berust op een objectief criterium volgens het Hof, namelijk het feit of de betrokken echtgenoot zijn beroepsactiviteit al dan niet uitoefent in een vennootschap die werd opgericht door wederbelegging van eigen gelden. Het is bovendien proportioneel, omdat het wettelijk stelsel – ondanks de daarmee verbonden bewijslast in hoofde van de echtgenoot-eiser – een vergoedingsmechanisme voorziet dat verhindert dat beroepsinkomsten via een vennootschap aan de gemeenschap worden onttrokken.
Daarom besluit het Hof dat de regeling geen schending van het
gelijkheidsbeginsel inhoudt.
Het arrest bevestigt en verduidelijkt enkele kernprincipes van het wettelijk stelsel: